Arthur Rimbaud - Une saison en enfer - 010 - Nuit de l'enfer (Dutch translation)

French

Une saison en enfer - 010 - Nuit de l'enfer

. . J’ai avalé une fameuse gorgée de poison. — Trois fois béni soit le conseil qui m’est arrivé ! — Les entrailles me brûlent. La violence du venin tord mes membres, me rend difforme, me terrasse. Je meurs de soif, j’étouffe, je ne puis crier. C’est l’enfer, l’éternelle peine ! Voyez comme le feu se relève ! Je brûle comme il faut. Va, démon !
 
. . J’avais entrevu la conversion au bien et au bonheur, le salut. Puis-je décrire la vision, l’air de l’enfer ne souffre pas les hymnes ! C’était des millions de créatures charmantes, un suave concert spirituel, la force et la paix, les nobles ambitions, que sais-je ?
 
. . Les nobles ambitions !
 
. . Et c’est encore la vie ! — Si la damnation est éternelle ! Un homme qui veut se mutiler est bien damné, n’est-ce pas ? Je me crois en enfer, donc j’y suis. C’est l’exécution du catéchisme. Je suis esclave de mon baptême. Parents, vous avez fait mon malheur et vous avez fait le vôtre. Pauvre innocent ! L’enfer ne peut attaquer les païens. — C’est la vie encore ! Plus tard, les délices de la damnation seront plus profondes. Un crime, vite, que je tombe au néant, de par la loi humaine.
 
. . Tais-toi, mais tais-toi !… C’est la honte, le reproche, ici : Satan qui dit que le feu est ignoble, que ma colère est affreusement sotte. — Assez !… Des erreurs qu’on me souffle, magies, parfums faux, musiques puériles. — Et dire que je tiens la vérité, que je vois la justice : j’ai un jugement sain et arrêté, je suis prêt pour la perfection… Orgueil. — La peau de ma tête se dessèche. Pitié ! Seigneur, j’ai peur. J’ai soif, si soif ! Ah ! l’enfance, l’herbe, la pluie, le lac sur les pierres, le clair de lune quand le clocher sonnait douze… le diable est au clocher, à cette heure. Marie ! Sainte-Vierge !… — Horreur de ma bêtise.
 
. . Là-bas, ne sont-ce pas des âmes honnêtes, qui me veulent du bien… Venez… J’ai un oreiller sur la bouche, elles ne m’entendent pas, ce sont des fantômes. Puis, jamais personne ne pense à autrui. Qu’on n’approche pas. Je sens le roussi, c’est certain.
 
. . Les hallucinations sont innombrables. C’est bien ce que j’ai toujours eu : plus de foi en l’histoire, l’oubli des principes. Je m’en tairai : poëtes et visionnaires seraient jaloux. Je suis mille fois le plus riche, soyons avare comme la mer.
 
. . Ah ça ! l’horloge de la vie s’est arrêtée tout à l’heure. Je ne suis plus au monde. — La théologie est sérieuse, l’enfer est certainement en bas — et le ciel en haut. — Extase, cauchemar, sommeil dans un nid de flammes.
 
. . Que de malices dans l’attention dans la campagne… Satan, Ferdinand, court avec les graines sauvages… Jésus marche sur les ronces purpurines, sans les courber… Jésus marchait sur les eaux irritées. La lanterne nous le montra debout, blanc et des tresses brunes, au flanc d’une vague d’émeraude…
 
. . Je vais dévoiler tous les mystères : mystères religieux ou naturels, mort, naissance, avenir, passé, cosmogonie, néant. Je suis maître en fantasmagories.
 
. . Écoutez !…
 
. . J’ai tous les talents ! — Il n’y a personne ici et il y a quelqu’un : je ne voudrais pas répandre mon trésor. — Veut-on des chants nègres, des danses de houris ? Veut-on que je disparaisse, que je plonge à la recherche de l’anneau ? Veut-on ? Je ferai de l’or, des remèdes.
 
. . Fiez-vous donc à moi, la foi soulage, guide, guérit. Tous, venez, — même les petits enfants, — que je vous console, qu’on répande pour vous son cœur, — le cœur merveilleux ! — Pauvres hommes, travailleurs ! Je ne demande pas de prières ; avec votre confiance seulement, je serai heureux.
 
. . — Et pensons à moi. Ceci me fait peu regretter le monde. J’ai de la chance de ne pas souffrir plus. Ma vie ne fut que folies douces, c’est regrettable.
 
. . Bah ! faisons toutes les grimaces imaginables.
 
. . Décidément, nous sommes hors du monde. Plus aucun son. Mon tact a disparu. Ah ! mon château, ma Saxe, mon bois de saules. Les soirs, les matins, les nuits, les jours… Suis-je las.!
 
. . Je devrais avoir mon enfer pour la colère, mon enfer pour l’orgueil, — et l’enfer de la caresse ; un concert d’enfers.
 
. . Je meurs de lassitude. C’est le tombeau, je m’en vais aux vers, horreur de l’horreur ! Satan, farceur, tu veux me dissoudre, avec tes charmes. Je réclame. Je réclame ! un coup de fourche, une goutte de feu.
 
. . Ah ! remonter à la vie ! jeter les yeux sur nos difformités. Et ce poison, ce baiser mille fois maudit ! Ma faiblesse, la cruauté du monde ! Mon Dieu, pitié, cachez-moi, je me tiens trop mal ! — Je suis caché et je ne le suis pas.
 
. . C’est le feu qui se relève avec son damné.
 
Submitted by Guernes on Thu, 02/11/2017 - 17:47
Last edited by Guernes on Thu, 09/11/2017 - 17:51
Align paragraphs
Dutch translation

Nacht van de hel

. . Ik heb een serieuze slok gif opgeschrokt. – Driemaal gezegend zij de raad die me heeft bereikt! – Mijn ingewanden branden. Het geweld van het venijn verwringt mijn ledematen, vervormt me, slaat me neer. Ik sterf van dorst, ik stik, ik kan niet schreeuwen. Het is de hel, de eeuwige boete! Zie hoe het vuur opflakkert! Ik brand zoals het moet. Ga, demon!
 
. . Ik had de bekering tot het goede en het geluk, het heil, voorzien. Kan ik het visioen beschrijven, de lucht van de hel duldt geen hymnen! Het waren miljoenen bevallige schepselen, een lieflijk geestelijk concert, de kracht en de vrede, de nobele ambities, wat weet ik?
 
. . De nobele ambities!
 
. . En het is nog het leven! – Als de verdoemenis eeuwig is! Een mens die zich wil verminken, is wel verdoemd, is het niet? Ik waan me in de hel, dus ben ik er. Het is de uitvoering van de catechismus. Ik ben slaaf van mijn doopsel. Ouders, jullie hebben mijn ongeluk bewerkt en ook dat van jullie. Arme onschuldige! De hel kan de heidenen niet aanvallen. – Het is het leven nog! Later zullen de genoegens van de veroordeling dieper zijn. Een misdaad, vlug, dat ik in het niets val, in naam van de menselijke wet.
 
. . Zwijg, maar zwijg!... Het is de schaamte, het verwijt, hier: Satan die zegt dat het vuur onedel is, dat mijn woede ongelooflijk dwaas is. – Genoeg!... Vergissingen die men me influistert, toverijen, valse parfums, kinderlijke muziekjes. – En zeggen dat ik de waarheid bezit, dat ik de rechtvaardigheid zie: ik heb een gezond en vast oordeel, ik ben klaar voor de perfectie… Hoogmoed. – Het vel van mijn hoofd verdroogt. Medelijden! Heer, ik ben bang. Ik heb dorst, zo’n dorst! Ah! de kindsheid, het gras, de regen, het meer op de stenen, de klaarte van de maan wanneer de klokkentoren twaalf sloeg… de duivel is in de klokkentoren, op dit uur. Maria! Heilige Maagd!... – Afschuw van mijn stomheid.
 
. . Daar beneden, zijn dat geen eerlijke zielen, die goed voor me willen… Kom… Ik heb een hoofdkussen op de mond, ze horen me niet, het zijn fantomen. En dan, nooit denkt iemand aan een ander. Dat men niet nadert. Ik ruik de brandlucht, het is zeker.
 
. . De hallucinaties zijn ontelbaar. Het is wel wat ik altijd heb gehad: geen geloof meer in de geschiedenis, het vergeten der principes. Ik zal erover zwijgen: dichters en zieners zouden jaloers zijn. Ik ben duizendmaal rijker, laten we zuinig zijn als de zee.
 
. . Ah dat! het levensuurwerk is daarnet gestopt. Ik ben niet meer in de wereld. – De theologie is ernstig; de hel is zeker beneden – en de hemel boven. – Extase, nachtmerrie, slaap in een nest vlammen.
 
. . Wat een boosaardigheden in de aandacht op het platteland… Satan, Ferdinand, loopt met de wilde zaden… Jezus wandelt over de paarse bramen, zonder ze te buigen… Jezus wandelde over de beroerde wateren. De lantaarn toonde ons hem rechtop, wit en met bruine tressen, aan de flank van een smaragden golf…
 
. . Ik zal alle mysteries ontsluieren: religieuze of natuurlijke mysteries, dood, geboorte, toekomst, verleden, kosmogonie, niets. Ik ben meester in schimmenspelen.
 
. . Luister!...
 
. . Ik heb alle talenten! – Er is niemand hier en er is iemand: ik zou mijn schat niet willen verstrooien. – Wil men negergezangen, hoeridansen? Wil men dat ik verdwijn, dat ik duik op zoek naar de ring? Wil men? Ik zal goud maken, remedies.
 
. . Vertrouw dus op mij, het geloof verlicht, leidt, geneest. Allen, kom, – zelfs de kleine kinderen, – dat ik jullie troost, dat men voor jullie zijn hart uitdeelt, – het beste hart! – Arme mensen, werkers! Ik vraag geen gebeden; met alleen maar jullie vertrouwen, zal ik gelukkig zijn.
 
. . – En laten we aan mij denken. Dit doet me minder de wereld betreuren. Ik heb geluk van niet erger te lijden. Mijn leven was enkel maar zoete dwaasheden, het is jammer.
 
. . Bah! laten we alle denkbare smoelen trekken.
 
. . Heel zeker, we zijn buiten de wereld. Geen enkel geluid meer. Mijn gevoel is verdwenen. Ah! mijn kasteel, mijn Saksen, mijn wilgenbos. De avonden, de ochtenden, de nachten, de dagen… ben ik vermoeid!
 
. . Ik zou mijn hel moeten hebben voor de woede, mijn hel voor de hoogmoed, – en de hel van de liefkozing; een concert van hellen.
 
. . Ik sterf van vermoeidheid. Het is de graftombe, ik vertrek naar de wormen, gruwel van de gruwel! Satan, grappenmaker, je wilt me ontbinden, met je betoveringen. Ik protesteer. Ik protesteer! een stoot van de gaffel, een druppel vuur.
 
. . Ah! teruggaan naar het leven! De ogen op onze misvormingen werpen. En dit vergif, deze zoen duizendmaal verwenst! Mijn zwakheid, de wreedheid van de wereld! Mijn God, medelijden, verberg me, ik hou me te slecht! – Ik ben verborgen en ik ben het niet.
 
. . Het is het vuur dat opflakkert met zijn verdoemde.
 
Submitted by Guernes on Wed, 08/11/2017 - 21:24
Author's comments:

Een Seizoen in de Hel 010

Idioms from "Une saison en enfer - 010 - Nuit de l'enfer"
See also
Comments